Passief spel: het waarschuwingsgebaar en de vier passes
Passief spel is balbezit zonder herkenbare poging tot aanval of schot op doel. De scheidsrechters waarschuwen dan met een opgeheven arm. Daarna zijn vier passes toegestaan en de vijfde pass zonder schot geeft een vrije worp voor de tegenstander. Het gebaar vervalt na een teruggekomen schot of een straf voor de verdediging. Laat een aanvaller opzettelijk een vrije doelkans liggen, dan mag de scheidsrechter ook zonder gebaar fluiten.
Waarom deze regel bestaat
Snel, aantrekkelijk en met weinig onderbrekingen
De IHF wil handbal met hoge snelheid en weinig onderbrekingen. Snelle tegenaanvallen horen erbij, net als een goede balans tussen aanval en verdediging. Een team dat de bal rustig rondspeelt om tijd te winnen haalt het tempo eruit. Daar is de regel tegen passief spel voor. Het regelboek zegt er iets bij: een verdediging die zonder overtredingen actief druk zet verdient een beloning. Loopt de aanval vast door goed verdedigen, dan weegt dat mee in je beslissing.
Wat passief spel is
Passief spel is de bal in bezit houden zonder een herkenbare poging om aan te vallen of tot een schot op doel te komen. Het is ook passief spel als een team herhaaldelijk zijn eigen beginworp, vrije worp, inworp of uitworp vertraagt. De straf is een vrije worp voor de tegenstander, in principe nadat het waarschuwingsgebaar is gegeven. Die vrije worp neem je op de plaats waar de bal was toen je de wedstrijd onderbrak.
Passief spel kan in elke fase van een aanval ontstaan. Je kijkt daarom naar de hele aanval en niet naar één pass. Een aanval loopt van balbezit tot een doelpunt of balverlies.
Het waarschuwingsgebaar
Hoe je het geeft
Ziet een van de twee scheidsrechters dat een aanval naar passief spel neigt, dan steekt hij zijn arm omhoog. Zijn collega neemt het gebaar over zodat beide het tonen. Je geeft het als een speler van het aanvallende team de bal onder controle heeft. Het gebaar zegt tegen dat team: zo komt er geen vrije doelkans, verander je manier van aanvallen. Verandert die niet, dan mag je vanaf dan op elk moment fluiten.
Je houdt het gebaar vast tot het team scoort of de bal verliest, of tot het gebaar vervalt. Dat laatste gebeurt in twee situaties:
- Het aanvallende team schiet op doel en de bal komt via het doel of de doelverdediger terug het speeloppervlak in. Dat geldt ook als de bal daarna over de zijlijn gaat en het aanvallende team een inworp krijgt.
- Een speler of teamofficial van het verdedigende team krijgt een persoonlijke straf.
In beide gevallen laat je de arm zakken en krijgt het aanvallende team tijd voor een nieuwe normale opbouwfase.
Wanneer je het geeft
Het gebaar hoort vooral thuis in vier situaties.
- Langzaam oplopen na balverovering. Een team dat na balverovering kalm naar de helft van de tegenstander wandelt is al bezig met passief spel.
- Het vertragen van een eigen worp. Een werper doet bijvoorbeeld alsof hij niet weet waar de vrije worp moet, of de doelverdediger haalt de bal traag op voor de beginworp. Bij de eerste keer vraag je het team daarmee te stoppen. Het gebaar zelf kun je pas geven als de bal weer in het spel is. De tijd dat de bal uit het spel was telt wel mee in de opbouwfase.
- Een late wissel in de normale opbouwfase. Alle aanvallers staan op hun plek en het samenspel is begonnen. Dan wisselt het team nog en wacht het op de nieuwe speler. Een doelverdediger die terugkomt in het veld en snel wisselen na een mislukte snelle tegenaanval tellen niet mee.
- Een te lange opbouwfase. Daarover gaat het volgende stuk.
Het gebaar geef je niet tijdens een duidelijke en veelbelovende voorwaartse beweging. Je geeft het ook niet als een tactische actie begint met een tempowisseling. Direct na een vrije worp geef je het in het algemeen niet, want het team krijgt eerst de kans op een nieuwe opbouwfase. Het gebaar past juist wel bij passes richting de eigen helft of naar teamgenoten die achteruit bewegen. Het past ook bij een speler met de bal die zich van het doel afdraait en bij passlijnen die door actief verdedigen dicht zitten.
De normale en de kortere opbouwfase
Na balbezit begint de aanval met een normale opbouwfase. De spelers wisselen en nemen hun posities in. Ze spelen de bal een paar keer over en bereiden een gerichte actie voor. Daarna moet er iets gebeuren: een tempowisseling, een actie richting het doel in een gevaarlijke zone of contact met de verdediging.
Loopt die actie zonder onderbreking op niets uit, dan mag het team opnieuw opbouwen, maar korter. Als richtlijn duurt een kortere opbouwfase vier tot zes passes, afhankelijk van het niveau. Die passes tel je niet, je gaat op je gevoel af. Heeft een team in dezelfde aanval nog een kortere opbouwfase nodig, dan mag die nog korter zijn. Je staat wel altijd minstens drie passes toe, behalve als het team zelf de worp heeft vertraagd.
Welke opbouwfase volgt komt op drie regels neer:
- Na een snelle tegenaanval of snelle beginworp die niet in een schot eindigt volgt een normale opbouwfase.
- Na een onderbreking tijdens een lopende aanval met een vrije worp of inworp volgt een kortere opbouwfase.
- Na een tijdelijke uitsluiting van een verdediger, een door de doelverdediger gestopte 7-meterworp of een schot dat terugkomt volgt een normale opbouwfase zonder gebaar.
Een te lange opbouwfase herken je ook aan twee andere tekenen. Spelers krijgen de bal stilstaand, of de bal gaat heen en weer tussen twee spelers zonder contact met de verdediging. Een speler die stuitend zijn tegenstander in beweging brengt om daarna door te gaan bereidt een actie voor. Dat is geen passief spel.
Na het gebaar: hoogstens vier passes
Na het waarschuwingsgebaar heeft het aanvallende team hoogstens vier passes om de aanval met een schot op doel af te ronden. Ontvangt een teamgenoot de vijfde pass zonder schot op doel, dan fluit je een vrije worp voor de tegenstander. Je telt op wat je zelf waarneemt. Een nationale bond mag tot zes passes toestaan en het NHV houdt het op vier.

Links op de tekening zie je het waarschuwingsgebaar en rechts vier passes met daarna een schot. De vijfde pass is doorgestreept, want bij die pass fluit je.
Wat niet als pass telt
- een pass die de ontvanger niet onder controle krijgt door een overtreding van de verdediging;
- een schot dat een verdediger blokt, waarna de bal over de zijlijn of achterlijn gaat.
Een pass die een verdediger aanraakt en toch wordt gevangen, telt wel als pass. Dat geldt ook voor een pass of schot dat een verdediger blokt en dat terugkomt bij een aanvaller.
Vóór en na de vierde pass
Krijgt het aanvallende team een vrije worp of inworp terwijl het gebaar staat, dan blijft het gebaar staan en tel je door. Een inworp na een teruggekomen schot laat het gebaar wel vervallen.
Na de vierde pass kan het aanvallende team nog een vrije worp, inworp of uitworp krijgen. Het mag die worp dan combineren met één extra pass om de aanval af te maken. Hetzelfde geldt als een schot na de vierde pass wordt geblokt en de bal naar een aanvaller gaat of over de zijlijn of achterlijn. Een schot dat de doelverdediger stopt of dat van het doel terugkomt laat het gebaar ook na de vierde pass vervallen. Dan begint een nieuwe opbouwfase.
Waarom je soms vóór de vijfde pass al fluit
De vier passes zijn een maximum en geen recht. Je mag al eerder fluiten als de speler met de bal stilstaat en lang naar een afspeelmogelijkheid zoekt. Dat mag ook als de aanvallers herhaaldelijk een overtreding proberen uit te lokken voor een vrije worp. Hetzelfde geldt als ze richting de eigen helft bewegen of als de speler met de bal door actief verdedigen nergens heen kan.
Direct een vrije worp, zonder gebaar
In drie situaties mag je op elk moment passief spel fluiten, ook zonder gebaar.
- Een vrije doelkans opzettelijk laten lopen. De aanvaller met de bal heeft een open weg naar het doel zonder tegenstander ertussen. Hij stopt met naar voren bewegen zonder te schieten. Speelt hij af naar een teamgenoot die er beter voor staat, dan fluit je niet.
- Het open schot vanaf de hoek. De hoekspeler springt zonder contact met een tegenstander het doelgebied in, met bal en lichaam onder controle. In plaats van te schieten speelt hij de bal terug naar een teamgenoot in het veld.
- Man-to-manverdediging op de helft van de tegenstander. Het aanvallende team doet daartegen geen serieuze poging om het doel aan te vallen. Je ziet stuiten en passes zonder druk van een tegenstander, of een lange pass naar de eigen helft terwijl er andere opties waren. Ook stuiten op de plek waar de speler stilstaat hoort erbij.
Speelt een team zonder doelverdediger met een extra veldspeler, dan zie je minder beweging en veel terugspeelpasses. De criteria veranderen niet, ook niet richting het einde. Een gebaar in de allerlaatste seconden heeft geen gevolgen meer. Geef het daarom zodra de aanval duidelijk aan de criteria voldoet, en gun het team wel een normale opbouwfase.
Situaties in de zaal
Wat is de juiste beslissing? Klik op een situatie voor het antwoord.
Rood valt aan. De scheidsrechters hebben het waarschuwingsgebaar voor passief spel gegeven. Daarna geeft rood vier passes zonder een schot op doel, en Chris (rood) ontvangt de vijfde pass van Anna. Wat fluit je?
Passief spel: vrije worp voor blauw. Na het waarschuwingsgebaar mag het aanvallende team hoogstens vier passes geven. Wordt de vijfde pass door een teamgenoot ontvangen zonder schot op doel, dan volgt een vrije worp voor de tegenstander.
Het waarschuwingsgebaar staat tegen rood. Na twee passes maakt Bas (blauw) een overtreding op Anna (rood), die de bal onder controle houdt. Je geeft een vrije worp aan rood zonder persoonlijke straf voor Bas. Wat betekent dat voor het gebaar en de telling?
Het gebaar blijft staan en de telling loopt door: rood heeft nog twee passes. Een vrije worp of inworp voor het aanvallende team vóór de vierde pass onderbreekt het aantal passes niet, en het gebaar blijft gelden.
Het waarschuwingsgebaar staat tegen rood. Na drie passes schiet Dana (rood) op doel. Doelverdediger Chris (blauw) stopt de bal, die terugspringt het speelveld in, en Anna (rood) krijgt hem onder controle. Wat doe je?
Het gebaar laten vervallen; rood krijgt tijd voor een nieuwe opbouwfase. Schiet het team op doel en komt de bal via het doel of de doelverdediger terug het speeloppervlak in, dan is het gebaar niet langer geldig en krijgt het team tijd voor een nieuwe normale opbouwfase.