HANDBAL 58 — Leer en Speel

Met de bal in je hand: hoogstens drie seconden en drie passen

Je speelt de bal met je handen, armen, hoofd, bovenbenen en knieën, niet met je voet. Met de bal in je handen heb je hoogstens 3 seconden en maak je hoogstens drie passen. Landen na het vangen van een pass in de sprong telt niet als pas. Na het vangen tel je opnieuw, en stuiten doe je pas weer nadat een ander of het doel de bal heeft geraakt. Hieronder staat alles over de bal in je hand, met de tekening van de drie passen.

De bal in het spel

Van worp tot fluitsignaal

De bal is in het spel vanaf het moment dat een formele worp is genomen. Dat duurt tot het fluitsignaal van de scheidsrechters, de tijdwaarnemer of de waarnemer het spel onderbreekt. De bal is ook uit het spel zodra de scheidsrechters tot een uitworp of inworp beslissen. Over die worpen lees je in les 10 van de cursus tot en met 12. Deze les gaat over wat je met de bal mag doen zolang hij in het spel is. Bijna elke overtreding in deze les heeft dezelfde uitkomst: een vrije worp voor de tegenstander. Een team dat de bal in bezit houdt zonder aan te vallen speelt passief. Daarover gaat les 7 van de cursus.

Waarmee je speelt

Je mag de bal werpen, vangen, stoppen, stoten en slaan. Dat mag met je open of gesloten handen, je armen, je hoofd, je bovenbeen en je knieën. De voet en het onderbeen horen daar niet bij. Daarover lees je verderop. Je mag de bal van de ene hand in de andere overnemen. Ook mag je hem knielend, zittend of liggend verder spelen.

Drie seconden

Je mag de bal hoogstens 3 seconden vasthouden. Dat geldt ook als de bal op de grond ligt en jij hem vasthoudt. Binnen die 3 seconden moet de bal weg zijn met een pass, een schot of een stuit op de grond. Na het stuiten en opnieuw vangen begint de telling opnieuw. Hoe dat zit lees je bij stuiten en tippen.

Soms staat een speler met de bal in de handen te zoeken naar een medespeler. Worden het meer dan 3 seconden dan fluit je en geef je een vrije worp aan de tegenstander. Je telt in een vast tempo in je hoofd mee.

Drie passen

Wanneer een pas telt

Met de bal in de hand mag je hoogstens drie passen maken. De telling begint als je de bal krijgt van een andere speler of als je hem vangt na het stuiten. Het regelboek zegt precies wanneer je een pas hebt gemaakt.

Je staat of landt zoEen pas is gemaakt als
met beide voeten op de grondje een voet optilt en weer neerzet, of een voet verplaatst
met één voet op de grond, en je vangt de balje daarna met de andere voet de grond raakt
na een sprong op één voetje met diezelfde voet weer afspringt, of de andere voet neerzet
na een sprong op beide voeten tegelijkje een voet optilt en weer neerzet, of een voet verplaatst

Schuift na het verplaatsen van een voet de andere voet aan dan telt dat samen als één pas. Een speler mag met de bal op de grond vallen, met de bal in de hand opstaan en verder spelen. Dat geldt ook als hij naar een bal duikt, hem onder controle brengt, opstaat en verder speelt.

De landing is geen pas

Soms vang je de bal terwijl je voeten de grond niet raken. Het neerzetten van één voet of van beide voeten tegelijk telt dan niet als pas. In de zaal heet dat de nulpas. Het regelboek omschrijft het zonder dat woord. Pas de beweging daarna is de eerste pas. Een speler die in de sprong een pass vangt en na de landing drie passen maakt speelt dus volgens de regels.

Een speler van rood die een pass in de lucht vangt en landt, met het cijfer 0 bij de landing, en daarna drie passen maakt met de cijfers 1, 2 en 3 bij elke voet die neerkomt

Op de tekening zie je een speler van rood die de bal in de sprong vangt. De landing krijgt het cijfer 0 omdat die niet telt. Daarna zet hij drie keer een voet neer en dat zijn de passen 1, 2 en 3. Komt er een vierde voet neer met de bal nog in de hand dan fluit je voor een loopfout.

Wat je fluit

Een vierde pas met de bal in de hand is een loopfout en de tegenstander krijgt een vrije worp. Je kijkt daarbij naar de voeten en niet naar de snelheid. Drie grote passen mogen en vier kleine niet.

Stuiten en tippen

Eenmaal stuiten of blijven tippen

Met de bal mag je stilstaand of in de loop drie dingen doen. Je mag hem eenmaal stuiten en met één of beide handen weer vangen. Je mag hem herhaaldelijk met één hand tippen, in de zaal dribbelen genoemd, en daarna met één of beide handen weer vangen of oprapen. En je mag hem met één hand herhaaldelijk over de grond voortrollen en daarna weer vangen of oprapen. Het tippen of stuiten begint zodra je de bal met enig lichaamsdeel aanraakt en naar de grond speelt.

Zodra je de bal daarna met één of beide handen vastpakt begint de telling opnieuw. Je hebt dan weer hoogstens 3 seconden en hoogstens drie passen. Zo komt een speler een heel eind zonder overtreding. Hij maakt drie passen, stuit, vangt weer en maakt nog eens drie passen.

Dubbel tippen

De bal na het vangen nog een keer naar de grond spelen mag niet. Vang je de bal na het stuiten of tippen en stuit je daarna opnieuw dan is dat dubbel tippen. De tegenstander krijgt dan een vrije worp. De telling van stuiten begint alleen opnieuw als de bal tussendoor een andere speler of het doel heeft geraakt. Een speler die stuit, vangt, schiet, de bal via de paal terugkrijgt en opnieuw stuit speelt dus volgens de regels.

Wat niet mag

Meer dan eenmaal aanraken

Heb je de bal onder controle gebracht dan mag je hem niet nog een keer aanraken. Dat mag pas weer als hij in de tussentijd de grond, een andere speler of het doel heeft geraakt. De bal even opgooien en weer vangen is dus een overtreding en geeft een vrije worp voor de tegenstander. Onhandig vangen mag wel. Soms krijgt een speler de bal bij het vangen of stoppen niet meteen onder controle. Raakt hij hem daardoor twee of drie keer aan voordat hij hem vast heeft dan blijft dat onbestraft. Het verschil zit in de controle. Pas als je de bal hebt telt de volgende aanraking.

Voet en onderbeen

Je mag de bal niet met de voet of het onderbeen aanraken. Gooit een tegenstander de bal ertegenaan dan gaat het spel gewoon door. Dat is een regel over de bal. Een speler die met opzet zijn benen spreidt om een schot of een pass tegen te houden gedraagt zich onsportief. Daarover lees je in les 9 van de cursus.

De scheidsrechter en de rand van het veld

Raakt de bal een scheidsrechter op het speeloppervlak dan wordt er gewoon doorgespeeld. Je mag de bal niet aanraken terwijl een deel van je lichaam de grond buiten het speelveld raakt. Doe je dat toch dan is het een vrije worp voor de tegenstander. Soms stelt een speler van het team in balbezit zich buiten het speelveld op. De scheidsrechters geven hem dan eerst aan dat hij het veld in moet komen. Doet hij dat niet of herhaalt hetzelfde team het later dan volgt een vrije worp zonder waarschuwing vooraf. Een persoonlijke straf krijgt hij er niet voor.

Alles op een rij

Wat je zietWat je beslist
de bal langer dan 3 seconden vastgehouden, ook op de grondvrije worp
een vierde pas met de bal in de handloopfout, vrije worp
gevangen in de sprong, geland en dan drie passendoorspelen
gevangen na het stuiten en opnieuw gestuitdubbel tippen, vrije worp
onhandig gevangen, meerdere aanrakingen voordat de bal vast isdoorspelen
de bal met de voet of het onderbeen gespeeldvrije worp
de bal aangeraakt met een voet op de grond buiten het speelveldvrije worp

Elke vrije worp in deze tabel is voor de tegenstander en wordt genomen op de plaats van de overtreding. Hoe en waar een vrije worp precies wordt genomen lees je in les 11 van de cursus.

Situaties in de zaal

Wat is de juiste beslissing? Klik op een situatie voor het antwoord.

Bas (rood) springt, vangt een pass in de lucht, landt op beide voeten tegelijk, maakt daarna drie passen en schiet op het doel. Wat beslis je?

Doorspelen, dit is toegestaan. Vangt een speler de bal terwijl zijn voeten geen contact hebben met de grond dan wordt het neerzetten van één voet of van beide voeten tegelijk niet als pas gezien. Daarna mag hij nog hoogstens drie passen maken.

Anna (rood) ontvangt de bal staand, maakt drie passen, stuit de bal eenmaal, vangt hem weer met beide handen, maakt opnieuw drie passen en geeft dan een pass. Wat beslis je?

Doorspelen, dit is toegestaan. Een speler mag de bal eenmaal stuiten en weer vangen. Zodra hij de bal daarna weer vastpakt mag hij opnieuw hoogstens drie passen maken en hoogstens 3 seconden vasthouden.

Chris (rood) tipt de bal een paar keer, vangt hem met beide handen en laat hem daarna opnieuw stuiten zonder dat de bal tussendoor een andere speler of het doel heeft geraakt. Wat beslis je?

Vrije worp voor blauw. Na het tippen en vangen moet de bal binnen 3 seconden of hoogstens drie passen worden afgespeeld. Opnieuw tippen of stuiten mag alleen als de bal in de tussentijd een andere speler of het doel heeft geraakt.

Wil je meer dan alleen deze regel kennen?

Hoor het geroep van de tribune en weet of dat echt drie passen was. Deze regel geeft antwoord op één situatie. Met de complete cursus begrijp je hoe spelregels, spelsituaties en beslissingen samenhangen. Zo sta je met meer zekerheid op het veld, op de tribune of aan de tafel, en voorkom je onnodige discussie.

De cursus, vanaf € 14,99 per speler

Bekijk de pakketten

Zestien sporten, dezelfde aanpak

Klik op een sport voor de spelregels, de techniek en de tactiek van dat spel.